Van alle op de woningmarkt die in 2024 in een corporatiewoning gingen wonen, was 21 procent een (8,7 duizend huishoudens). Dat is afgelopen jaren toegenomen: in 2018 was dat nog 9 procent (3,5 duizend). Dit meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van nieuwe cijfers.
Van alle in 2024 werd ruim 8 procent toegewezen aan huishoudens met een of meerdere statushouders. Dat zijn ruim 13 duizend woningen, ongeveer evenveel als een jaar eerder.
| 2018 | 35,0 | 3,5 |
|---|---|---|
| 2019 | 34,5 | 3,2 |
| 2020 | 33,4 | 3,2 |
| 2021 | 35,9 | 6,2 |
| 2022 | 33,6 | 6,9 |
| 2023 | 32,8 | 8,2 |
| 2024 | 32,9 | 8,8 |
Ruim twee derde van huishoudens met statushouder is starter
Van de huishoudens met een statushouder die in 2024 naar een corporatiewoning verhuisden, was 67 procent starter op de woningmarkt. In 2018 was dat 39 procent. Dat aandeel nam daarna elk jaar toe.
Huishoudens met een statushouder laten na hun verhuizing minder vaak een woning achter dan huishoudens zonder statushouder. Bij 16 procent van de huishoudens met een statushouder kwam een woning vrij na hun verhuizing. Bij huishoudens zonder statushouder was dat bij ruim de helft. Nog eens 18 procent van de huishoudens met een statushouder verhuisde uit een woning waarin andere bewoners achterbleven.
Dit verschil is ook zichtbaar bij eenpersoonshuishoudens. Eenpersoonshuishoudens zonder statushouder lieten ruim vijf keer zo vaak een woning achter als eenpersoonshuishoudens met een statushouder.
| Met statushouders | 66,8 | 17,6 | 15,6 |
|---|---|---|---|
| Zonder statushouders | 22,1 | 23,6 | 54,3 |
Meeste corporatiewoningen naar eenpersoonshuishoudens
Ruim 2 op de 3 huishoudens die naar een corporatiewoning verhuisden, bestond uit één persoon. Van deze eenpersoonshuishoudens was 8 procent een statushouder (8,5 duizend huishoudens). Een jaar eerder was dat 7 procent.
Van de stellen met kinderen die naar een corporatiewoning verhuisden, had 21 procent een statushouder als gezinslid (2,8 duizend huishoudens). Een jaar eerder was dat 23 procent. In meer dan de helft van deze gezinnen had minstens één gezinslid korter dan een jaar een verblijfsvergunning, of verbleef begin 2024 nog in een COA-opvanglocatie.
| Eenpersoons huishouden | 95,580 | 8,510 |
|---|---|---|
| Stellen zonder kinderen | 22,460 | 0,680 |
| Eenouder gezinnen | 19,340 | 1,010 |
| Stellen met kinderen | 10,940 | 2,860 |
| Overige huishoudens | 0,890 | 0,090 |
Ruim 13 duizend corporatiewoningen naar huishoudens met statushouder
In 2024 kwamen 162 duizend corporatiewoningen vrij waarin 264 duizend mensen gingen wonen. Dit zijn woningen die niet gedeeld worden door meerdere huishoudens. Van deze woningen werd bijna 8 procent toegewezen aan een huishouden met een statushouder. In de zes jaren daarvoor werd tussen de 4 en 8 procent van de vrijgekomen corporatiewoningen toegewezen aan een huishouden met een statushouder.
Op persoonsniveau was 9 procent van de nieuwe bewoners een statushouder. Op huishoudensniveau gaat het om 8 procent. Dat verschil komt doordat huishoudens met een statushouder gemiddeld groter zijn dan huishoudens zonder statushouder.
| 2018 | 158,630 | 9,050 |
|---|---|---|
| 2019 | 155,870 | 7,630 |
| 2020 | 153,030 | 7,030 |
| 2021 | 158,655 | 10,660 |
| 2022 | 151,365 | 11,135 |
| 2023 | 148,290 | 12,729 |
| 2024 | 149,200 | 13,150 |
In Flevoland meeste corporatiewoningen toegewezen aan statushouders
Het aandeel corporatiewoningen dat werd toegewezen aan statushouders verschilt per regio. In Flevoland was dit aandeel met 12 procent het hoogst. Daarna volgden Het Gooi en Vechtstreek met 11 procent en Utrecht met 10 procent. In Delfzijl en omgeving was het aandeel met minder dan 1 procent het laagst.
| Oost-Groningen | 6,6 |
| Delfzijl en omgeving | 0,0 |
| Overig Groningen | 7,8 |
| Noord-Friesland | 8,2 |
| Zuidwest-Friesland | 7,0 |
| Zuidoost-Friesland | 6,7 |
| Noord-Drenthe | 6,9 |
| Zuidoost-Drenthe | 4,8 |
| Zuidwest-Drenthe | 6,4 |
| Noord-Overijssel | 7,7 |
| Zuidwest-Overijssel | 7,4 |
| Twente | 8,8 |
| Veluwe | 8,1 |
| Achterhoek | 9,1 |
| Arnhem/Nijmegen | 9,8 |
| Zuidwest-Gelderland | 8,9 |
| Utrecht | 10,0 |
| Kop van Noord-Holland | 6,6 |
| Alkmaar en omgeving | 7,6 |
| IJmond | 7,5 |
| Agglomeratie Haarlem | 5,4 |
| Zaanstreek | 5,0 |
| Groot-Amsterdam | 8,3 |
| Het Gooi en Vechtstreek | 11,4 |
| Agglomeratie Leiden en Bollenstreek | 7,8 |
| Agglomeratie ‘s-Gravenhage | 8,3 |
| Delft en Westland | 4,4 |
| Oost-Zuid-Holland | 8,8 |
| Groot-Rijnmond | 7,8 |
| Zuidoost-Zuid-Holland | 9,5 |
| Zeeuwsch-Vlaanderen | 4,7 |
| Overig Zeeland | 7,5 |
| West-Noord-Brabant | 8,8 |
| Midden-Noord-Brabant | 7,7 |
| Noordoost-Noord-Brabant | 9,3 |
| Zuidoost-Noord-Brabant | 8,0 |
| Noord-Limburg | 9,7 |
| Midden-Limburg | 8,9 |
| Zuid-Limburg | 6,1 |
| Flevoland | 12,1 |
In 1 op 40 corporatiewoningen woont een statushouder
Eind 2024 waren er 2,2 miljoen corporatiewoningen. In ruim 48 duizend hiervan (2,4 procent) woonde een huishouden met een statushouder. In 2023 was dat nog 2,2 procent. Inclusief voormalig statushouders (sinds 1999 in Nederland) die inmiddels de Nederlandse nationaliteit hebben, wonen in bijna 177 duizend woningen één of meer (voormalig) statushouders. Dat is 8,1 procent van het totaal.